|
L'Albatros
Souvent,
pour s'amuser, les hommes d'équipage
Prennent des albatros, vastes oiseaux des mers,
Qui suivent, indolents compagnons de voyage,
Le navire glissant sur les gouffres amers.
À
peine les ont-ils déposés sur les planches,
Que ces rois de l'azur, maladroits et honteux,
Laissent piteusement leurs grandes ailes blanches
Comme des avirons traîner à côté d'eux.
Ce
voyageur ailé, comme il est gauche et veule!
Lui, naguère si beau, qu'il est comique et laid!
L'un agace son bec avec un brûle-gueule,
L'autre mime, en boitant, l'infirme qui volait!
Le
Poète est semblable au prince des nuées
Qui hante la tempête et se rit de l'archer;
Exilé sur le sol au milieu des huées,
Ses ailes de géant l'empêchent de marcher.
Charles
Baudelaire (1821 - 1867)
|
De
Albatros.
Af
en toe, uit verveling, vangen de matrozen
een albatros: de zweefvlieger van de zeeën,
die de wegen volgt door de zeelui gekozen
voor hun schip, prooi van wel en bittere weeën.
Nu
ligt hij op het dek van harde, ruwe planken;
scharrelt nog in het rond, gehandicapt, wordt stijf,
met vlerken die als zeilen waren, grote, blanke,
en nu roeiriemen zijn die hangen aan zijn lijf.
Hoe
werd dit sierlijk vliegfeest tot een kleurloze vlek?
Vroeger sieraad ter lucht, nu komisch aardebeest!
Met een verbrande kleipijp tergt een hem aan de bek;
een ander wiekt hem na als een beschonken geest.
De
dichter is als hij, een prins der ruimste vluchten,
uitdager van de storm, bespotter van wie staan;
een dwarse banneling tussen tieren en zuchten
door vleugels van een reus belemmerd in zijn gaan.
Vert:
R.Siffer / 01.05.12
|
|
De
Albatros
Vaak
vangt het scheepsvolk, om verveling te verdrijven,
de vogel albatros die op zijn wieken wijd,
als lome reisgenoot, elk schip nabij kan blijven
dat over 't bitter diep der oceanen glijdt.
Maar
amper prest men hem om op het dek te landen,
of deze vorst van het azuur sleept gelijk twee
peddels zijn grote, witte vleugels tot zijn schande
grotesk en zielig aan weerszijden met zich mee.
Gevleugeld
reiziger, nu krachteloos, onhandig!
Komiek
en lelijk ook, voorheen zo'n lust voor 't oog!
De een brandt met een pijp zijn snavel en de ander
hinkt honend het onmachtig dier na dat eens vloog!
De Dichter is gelijk die prins der hemelsferen,
hij die met storm verkeert, lacht boog en schutter uit;
gebannen aan de grond, waar spotters hem kleineren,
wordt hij door reuzenwieken in zijn gang gestuit.
Vert:
Peter Verstegen
|
De
Albatros
Vaak
vangen de leden der bemanning op de boten
grote albatrossen en verdrijven zo de tijd,
met deze lome lusteloze reisgenoten,
die 't zeilschip volgen dat over zilte diepten glijdt.
Nadat
hij op het dek geland is en gevangen,
laat deze vorst van het azuur, beschaamd en plomp
zijn blanke reuzevleugels deerniswekkend hangen,
als werkeloze riemen, slepend langs de romp.
Deze
trotse trekvogel werkte zich stom in nesten!
Wat is hij lelijk en lomp die eens zo sierlijk was!
De een gebruikt een bekschroeier om te pesten,
de andere aapt de gebrekkige na met manke pas!
De
dichter lijkt op die prins der wolkenvelden,
die elke schutter tart en rijdt op de orkaan;
Verbannen op de grond waar ze kwellen en schelden,
kan hij met reuzevleugels amper gaan of staan.
Vert:
Gaston D'haese
|