Les tours au bord de la mer

Veuves debout au long des mers,
Les tours de Lisweghe et de Furnes
Pleurent, aux vents des vieux hivers
Et des automnes taciturnes.

Elles règnent sur le pays,
Depuis quels jours, depuis quels âges,
Depuis quels temps évanouis
Avec les brumes de leurs plages ?

Jadis, on allumait des feux
Sur leur sommet, dans le soir sombre ;
Et le marin fixait ses yeux
Vers ce flambeau tendu par l'ombre.

Quand la guerre battait l'Escaut
De son tumulte militaire,
Les tours semblaient darder là-haut,
La rage en flamme de la terre.

Quand on tuait de ferme en bouge,
Pêle-mêle vieux et petits,
Les tours jetaient leurs gestes rouges
En suppliques, vers l'infini.

Depuis,
La guerre,
Au bruit roulant de ses tonnerres,
Crispe, sous d'autres cieux, son poing ensanglanté ;
Et d'autres blocs et d'autres phares,
Armés de grands yeux d'or et de cristaux bizarres,
Jettent, vers d'autres flots, de plus nettes clartés.

Mais vous êtes, quand même
Debout encor, au long des mers,
Debout, dans l'ombre et dans l'hiver,
Sans couronne, sans diadème,
Sans feux épars sur vos fronts lourds;
Et vous demeurez là, seules au vent nocturne,
Oh ! vous, les tours, les tours gigantesques, les tours
De Nieuport, de Lisweghe et de Furnes.

Sur les villes et les hameaux flamands,
Au-dessus des maisons vieilles et basses,
Vous carrez votre masse,
Tragiquement ;
Et ceux qui vont, au soir tombant, le long des grèves,
A voir votre grandeur et votre deuil,
Sentent toujours, comme un afflux d'orgueil,
Battre leur rêve :
Et leur coeur chante, et leur coeur pleure, et leur coeur bout
D'être jaillis du même sol que vous.

Flandre tenace au cœur ; Flandre des aïeux morts,
Avec la terre aimée entre leurs dents ardentes ;
Pays de fruste orgueil ou de rage mordante,
Dès qu'on barre ta vie ou qu'on touche à ton sort ;
Pays de labours verts autour de blancs villages ;
Pays de poings boudeurs et de fronts redoutés ;
Pays de patiente et sourde volonté ;
Pays de fête rouge ou de pâle silence ;
Clos de tranquillité ou champs de violence,
Tu te dardes dans tes beffrois ou dans tes tours,
Comme en un cri géant vers l'inconnu des jours !
Chaque brique, chaque moellon ou chaque pierre,
Renferme un peu de ta douleur héréditaire
Ou de ta joie éparse aux âges de grandeur ;
Tours de longs deuils passés ou beffrois de splendeur,
Vous êtes des témoins dont nul ne se délivre :
Votre ombre est là, sur mes pensers et sur mes livres,
Sur mes gestes nouant ma vie avec sa mort.

O que mon coeur toujours reste avec vous d'accord !
Qu'il puise en vous l'orgueil et la fermeté haute,
Tours debout près des flots, tours debout près des côtes,
Et que tous ceux qui s'en viennent des pays clairs
Que brûle le soleil, à l'autre bout des mers,
Sachent, rien qu'en longeant nos grèves taciturnes,
Rien qu'en posant le pied sur notre sol glacé,
Quel vieux peuple rugueux vous leur symbolisez
Vous, les tours de Nieuport, de Lisweghe et de Furnes !

 

Émile Verhaeren (1855-1916)

 

 

De torens aan de boord van de zee.

Weeuwen levend tegen de zeeën!
De torens van Lissewege en Veuren
staan in de snijdende winden te treuren
en lijden in zwijgende winters hun weeën.

Ze heersen over dit vlakke land,
sedert hoelang, sinds hoeveel dagen,
uit welke vergane eeuwen verdragen
ze kille mist van het kille strand?

Ooit droegen ze vuren als een kroon
in donkere en woeste nachten,
en de zeeman richtte al zijn trachten
op hen, en vond zo huis en zoon.

Toen de oorlog over de Schelde raasde
met zijn woedes en soldatesk vertoon,
laaiden de torens van hoge hoon
als de vlammen waarin het volk verdwaasde.

En toen er gedood werd van hut tot hoeve
en vrouw en kind en ouderling viel,
gooiden de torens hun vlammende ziel
als noodkreet van hun groot bedroeven.

Sindsdien,
onder de rollende donder van kanonmonden,
balt de oorlog elders zijn bloedige vuist.
En torens, die nieuwe zonnen vonden
in gouden ogen en vreemd kristal,
werpen hun lichten overal,
helder en juist.

Maar gij blijft langs de zeeën staan, stevig
in duistere winters, vast en geloofd,
zonder de kroon of diadeem van een hevig
flakkerend vuur op het zware hoofd.
In nachtelijk stormweer duurt gij voort,
o, reuzen, giganten onverstoord,
o, torens van Lissewege, Veurne en Nieuwpoort.

Over de vlaamse dorpen en steden
boven de huizen met groots verleden
verheft gij uw massa, tragisch
en magisch.
En al wie in het stervend avondlicht
nog langs de stranden zijn taak verricht,
voelt steeds weer een opstoot van trots,
voelt plots
de ziel van zijn land.

En zijn hart zingt, en zijn hart weent, en zijn hart brandt
omdat hij ontstond
uit dezelfde grond.

Vlaanderen met het taaie hart, Vlaanderen van de dode geslachten,
met de geliefde aarde tussen laaiende tanden;
land van stugge trots en bijtende gedachten
wanneer men je lot onttrekt aan je handen;
land van groene weiden rond witte gehuchten;
land, bruut van vuist, en van voorhoofd te duchten;
land van geduldige wil en dove krachten;
land van rode feesten en bleke nachten,
met hofsteden van stilte en velden vol geweld;
je hebt je hoog tegen de hemel gesteld
in belfort en toren
als een roepende reus, die de toekomst zal horen!
Ieder gebakken steen, ieder moef, al je lijnen
bewaren een deel van je geërfde pijnen
of van je wilde vreugdes wanneer de beiaard speelde.
Torens van diepe rouw of belforten van weelde,
ik kan me niet ontmaken van wat jullie getuigen;
uw schaduw blijft zich over mijn werk en denken buigen,
en op levende gebaren die al de dood aanzuigen.

O mocht mijn hart altijd uw trouw bewaren
en uit u zijn fierheid en vastheid vergaren.
Torens recht aan de vloed, torens recht langs de kusten,
torens van eeuwen, jaren en weken,
laat al wie hier komt voor werken of rusten
van ver over zee uit verhitte streken,
laat ze,
vanaf, over deze ijzige grond, hun eerste bewegen,
laat ze weten in zomerzon en regen
welk volk gij vóór hen stelt: een volk, ruw en gedegen!
Gij, torens van Nieuwpoort en Veurne en Lissewege.

 

Vert: Rudolf Siffer - Nieuwpoort, november 2009.